1 Uitgangspunten en beleid

1.1 Situatieschets van de Rotterdamse jeugd

In Rotterdam wonen ongeveer 165.000 jeugdigen van 0 tot 23 jaar. Er zijn iets meer jongens dan meisjes (51% versus 49%). Van de 0-23 jarigen is 41% van autochtone en 59% van allochtone herkomst. De grootste groep allochtone jeugdigen is van Turkse, Marokkaanse of Surinaamse herkomst. Met de meeste van de Rotterdamse kinderen en jongeren gaat het goed. Sommigen groeien echter op in een (potentieel) minder kansrijke omgeving en zijn daardoor meer kwetsbaar. Verschillende aspecten spelen daarin een rol, zoals:

  • 18% van de 0-18 jarigen groeit in 2012 op in een bijstandsgezin.
  • Bijna 25% van de 0-25 jarigen leeft in een eenoudergezin.
  • Jaarlijks zijn er ongeveer 1000 Rotterdamse 0-18 jarigen bij een echtscheiding betrokken.
  • Problemen bij de opvoeding. 

Al deze factoren kunnen er toe bijdragen dat een aantal jeugdigen op school en/of thuis, leer,- gedrags- en sociaal-emotionele problemen krijgen die een gezonde ontwikkeling in de weg staan. De problemen kunnen de schoolsituatie beïnvloeden, belemmeren of blokkeren.

Zo blijkt bijvoorbeeld de gemiddelde Cito-score van de Rotterdamse basisschoolleerlingen lager te zijn dan gemiddeld in de overige drie grote steden. Deze is te relateren aan het opleidingsniveau van de ouders en hun sociaal economische status. (Dikken, J.J. den e.a., 2013).

1.2 Nieuw Rotterdams Jeugdstelsel (NRJ)

Visie van de gemeente op de Rotterdamse jeugd

‘Meer jeugdigen in Rotterdam laten opgroeien in een kansrijk en veilig thuis’. Dat  is het doel waar de gemeente Rotterdam, voorheen in het programma ‘ Ieder Kind Wint (IKW)’, en nu bij de inrichting van het Nieuw Rotterdams Jeugdstelsel, aan wil blijven werken. Ondanks de voor sommige jeugdigen minder kansrijke omgeving, blijft ieder kind en jongere in Rotterdam uniek, heeft het talenten en een natuurlijke drang tot zelfontplooiing. Iedere jeugdige moet dus, vanuit hun eigen kracht, de mogelijkheid  krijgen die talenten te ontwikkelen, zelfredzaam te zijn en naar vermogen mee te doen in de samenleving. Soms is daar ondersteuning of hulp bij nodig. Om jeugdigen en hun gezin hierin te laten slagen, zet de gemeente in op het versterken van de preventieve kant van ondersteuning en hulp aan jeugdigen en gezinnen. Ook krijgen professionals de ruimte om samen met het gezin direct en dichtbij de noodzakelijke, en zo nodig, meer zware ondersteuning in te zetten.

De gemeente richt zich in het nieuwe Rotterdams jeugdbeleid  op jeugdigen tot 23 jaar en hun ouders/verzorgers. De belangrijkste doelen zijn:  

  1. Meer Rotterdamse jeugdigen opgroeien tot zelfredzame Rotterdammers.
  2. Meer Rotterdamse opvoeders zelfredzaam zijn.
  3. Jeugdhulp passend is (niet te zwaar en niet te licht).
  4. Hulp voor de jeugd sneller beschikbaar is.
  5. Hulp voor de jeugd tegen aanvaardbare kosten is.

(Voor de jeugd: Nieuw Rotterdams jeugdstelsel, 2013).

Om deze doelen te kunnen realiseren organiseert de gemeente Rotterdam de jeugdhulp op verschillende manieren. Hierna wordt kort ingegaan op de organisatie van het nieuw Rotterdams jeugdstelsel.

A. Wijkteams

De belangrijkste vernieuwing van het Rotterdamse  jeugdstelsel is dat Rotterdamse gezinnen vanaf 2015 voor hulp en ondersteuning toegeleid kunnen worden bij wijkteams. In het wijkteam zitten breed kijkende, goed opgeleide deskundige jeugd- en gezinscoaches, die de sociale kaart van de wijk goed kennen. Het team onderhoudt goede contacten met scholen, sportverenigingen, jongerenwerk en andere voorzieningen in het wijknetwerk.

Het gezin staat centraal tijdens de begeleiding. De coaches geven maximaal 6 maanden basishulp in de directe omgeving van het gezin, zoals opvoedhulp, gezinscoaching, hulp bij (jeugd)overlast en gaan daarbij altijd uit van de eigen kracht van het gehele gezin. Ze voeren de casusregie als er bij verschillende hulptrajecten in een gezin onderling afstemming plaats moet vinden (met uitzondering van de drang-en-dwang-trajecten).

In 2015 worden er integrale wijkteams gerealiseerd (jeugd en volwassenen).

 

B. Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG)

Het CJG heeft verschillende taken. Ze heeft een rol als ‘frontoffice’ voor jeugdigen en/of hun ouders/verzorgers. Hieronder vallen de jeugdgezondheidszorg, de opvoedondersteuning en het geven van advies en informatie. Daarnaast krijgt  het CJG een aantal andere belangrijke taken:

  • Coördineren en faciliteren van de wijkteams.    
  • Organiseren van consultatie en diagnoseteam.
  • Ondersteunen van de advies- en consultatietaak van het wijkteam en het diagnoseteam.

Het CJG werkt ook nauw samen met de twee andere “frontoffices” die er in de wijk zijn: de Vraagwijzer voor volwassenen en de huisarts.

C. Consultatie- en diagnoseteams

Naast de wijkteams zijn er consultatie- en diagnoseteams. Dat is een multidisciplinair team, dat door het wijkteam wordt ingeschakeld wanneer een hulpvraag en/of problematiek onduidelijk of complex is. Het wijkteam houdt  contact met de jeugdige/gezin, zodat zij op basis van de diagnose, eventueel kunnen door verwijzen wanneer meer specialistische hulp nodig  is. Het consultatieteam is gericht op het versterken van de eigen regie en het oplossend vermogen van het gezinssysteem. Het team verwijst zelf niet door naar hulp.

D. Veilig Thuis

Het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK) en het Steunpunt Huiselijk Geweld (SHG) gaan vanaf 1 januari 2015 fuseren.  De nieuwe naam van het gecombineerde meldpunt is 'Veilig Thuis'.

Door de fusie wordt de aanpak van geweld in huiselijke kring en de aanpak van kindermishandeling geïntegreerd. Burgers en professionals, zoals de schoolmaatschappelijk werker, kunnen straks bij dit meldpunt terecht met hun zorgen en vragen over  huiselijk geweld en kindermishandeling en daar een melding doen. Ook jeugdreclassering wordt  in ‘Veilig Thuis’ opgenomen. Daarvoor is nadere uitwerking nodig. Het werk van ‘Veilig Thuis’ zal aansluiten bij de wijkteams, zodat de kennis hierover beschikbaar blijft in de wijkteams.

E. Jeugdbeschermingsplein

Het jeugdbeschermingsplein is als proeftuin gestart in Rotterdam Zuid en zal op 1 januari 2015 een regio dekkende jeugdbeschermingswerkwijze hebben. Wanneer instanties, zoals het wijkteam, het Meldpunt ‘Veilig thuis’ of de Raad voor de Kinderbescherming ernstige zorgen hebben over de ontwikkeling en/of de fysieke veiligheid van jeugdigen, kunnen zij dit melden aan het plein. Ze doen dit vooral als vrijwillige hulp niet (meer) voldoende is of als ouders/verzorgers deze hulp niet aanvaarden.  Een onderdeel van het plein is de jeugdbeschermingstafel. Het uitgangspunt is om zoveel mogelijk aan te sluiten bij de gehele organisatie rondom het wijkteam zodat lijnen kort blijven en een integrale aanpak mogelijk is. De gemeente is voorzitter van de jeugdbeschermingstafel.

Deelnemers aan de jeugdbeschermingstafel zijn:

  • Veilig Thuis
  • CJG (alleen nodig  als een melding via ‘Veilig Thuis’ binnenkomt)
  • Gecertificeerde instelling (BJZ), zodat drang en/of dwang direct ingezet kan worden 
  • MEE of in roulatie Pameijer of een andere LVB instelling
  • Jeugd GGZ  
  • Raad voor de Kinderbescherming

Als de  SMW-er een gezin wil melden omdat ouders/verzorgers niet mee willen werken en de (fysieke) veiligheid van een leerling in het geding is, dan loopt dit via het wijkteam. Als het wijkteam nog niet betrokken is bij het gezin, kan de SMW-er ook zelf een melding doen. Zij informeert hierover ook altijd  het wijkteam. Zo blijven wijkteams de spil en houden zij het overzicht.

1.3 Passend onderwijs

Opvoeden is niet alleen een exclusieve taak van ouders/verzorgers, ook het onderwijs heeft hierin een taak. De drie pedagogische milieus, namelijk het gezin, de school en de wijk, overlappen elkaar steeds meer. In het visiemodel passend onderwijs (Referentiekader passend onderwijs, 2013) wordt dat als volgt geformuleerd: ‘een veilige en gezonde omgeving, goed onderwijs, en passende zorg en ondersteuning dragen bij  aan een succesvolle schoolloopbaan’.

Om dit te realiseren maken scholen binnen hun eigen samenwerkingsverband afspraken over hoe een leerling basis- en/of extra ondersteuning krijgt (zorgplicht). Elke school maakt daarvoor een ondersteuningsprofiel, waarin staat welke ondersteuning aan leerlingen mogelijk is. De ondersteuning wordt zoveel mogelijk geïntegreerd in het dagelijkse onderwijs omdat de leerkrachten/docenten in de klas degenen zijn die iedere dag met de leerling werken en begeleiding en ondersteuning bieden. Als de zorg voor leerlingen de mogelijkheden van het onderwijs overstijgt, kan extra ondersteuning vanuit  zogenaamde zorgarrangementen worden ingezet. De SMW-er kan daar mede vorm aan geven door, vanuit haar deskundigheid over gezinssystemen, ook de gezinssituatie van de leerling bij de aanvraag van zorgarrangementen te betrekken.

Op basis van het ondersteuningsprofiel inventariseert de school welke expertise leerkrachten /docenten eventueel extra nodig hebben om de leerling te kunnen ondersteunen en wat dat betekent voor de (scholing van) leerkrachten/docenten. Het schoolmaatschappelijk werk kan een grote rol spelen in de ondersteuning van leerkrachten/docenten. Bijvoorbeeld door hen advies te geven over  hoe te signaleren, eventuele signalen en vermoedens over zorgen die er zijn te bespreken en advies te geven over de communicatie met de leerling/ouders/verzorgers.

Educatief partnerschap in passend onderwijs

In passend onderwijs hebben ouders en school  hetzelfde belang, namelijk optimale ontwikkeling  van de leerling. Ouders zijn eindverantwoordelijk voor de opvoeding van hun kinderen en de school voor het onderwijs. Van  belang is dat ouders en school  deze gescheiden verantwoordelijkheden (h)erkennen, maar wel continu met elkaar in dialoog blijven. Op die manier kunnen zij profiteren van elkaars kennis, bij het zoeken naar de juiste ondersteuning en oplossingen.

(Ondersteuningsplan Samenwerkingsverband Koers VO (2014); Verbinding Passend Onderwijs – Nieuw Rotterdams Jeugdstelsel, 2014);  Wit, R., de (2013a); Ondersteuningsplan PPO Rotterdam 2014-2016; Wit, R., de (2013b); http://ondersteuningsplan.poraad.nl/51-ouders-als-educatief-partner)

 

 

 

Samengevat bestaat  de kern van de visie van het nieuwe jeugdstelsel en passend onderwijs uit de volgende punten:   

  • Professionals in de jeugdzorg en in de onderwijsondersteuning direct en snel inzetten op de plek en op het moment waar zij het hardst nodig zijn, namelijk in en om de school en in en om de omgeving van de gezinnen.

  • De nadruk leggen op preventie. Hoe eerder er hulp en ondersteuning komt, hoe kleiner de kans dat een kleine stagnatie in de ontwikkeling van een kind/ jongere uitgroeit tot een onderwijsachterstand of dat een ingewikkelde gezinssituatie uitgroeit tot een meer zware sociale problematiek.

  • Effectieve hulp en ondersteuning in de school en in de jeugdhulp kan alleen plaatsvinden in samenwerking en afstemming met alle betrokkenen.

(Referentiekader passend onderwijs (2013)

 

 

Naar hoofdstuk 2 >

1.4 Financiering en organisatie van het schoolmaatschappelijk werk

In Rotterdam financieren de gemeente en de schoolbesturen gezamenlijk het SMW. Aan de Beleidsregel Onderwijs Rotterdam zijn kwaliteitsaspecten en - criteria SMW toegevoegd. Dit is een beschrijving van de eisen waar aanbieders van het SMW  in het kader van subsidieverlening aan moeten voldoen, zoals het toepassen van kwaliteitsindicatoren en voor nieuwe SMW-ers, het volgen van een basiscursus SMW. Deze kwaliteitseisen en - criteria vormen de basis voor de werkplannen en worden jaarlijks geactualiseerd. De aanbieders van het schoolmaatschappelijk werk, zijn georganiseerd in een leidinggevenden overleg SMW om het beleid en de inhoud van het SMW samen te ontwikkelen en de kwaliteit te bewaken. In het overleg zijn alle aanbieders SMW Primair onderwijs en Voortgezet onderwijs vertegenwoordigd. Het Servicepunt SMW  is de trekker van het overleg en faciliteert, ondersteunt en coördineert het overleg. Vanaf 2016 zal de financiering van het SMW in Rotterdam direct aan de school(besturen) plaatsvinden.

Heeft u vragen?

Stel ze via ons formulier